Snoekbaars


De snoekbaars is een veel voorkomende vis in de Nederlandse binnenwateren en komt van oorsprong uit Oost- en Midden-Europa. In de 19e eeuw is de vis via de grote rivieren in Nederland terechtgekomen. Daarnaast is de snoekbaars ook uitgezet voor de visvangst. De snoekbaars vertegenwoordigt een grote economische waarde, vanwege het hooggewaardeerde visvlees.

Wetenschappelijke benaming
Stizostedion lucioperca.

Leefgebied
Meren en grote rivieren, met name in open en diepe wateren.

Kenmerken
De snoekbaars is langgerekt en rond van vorm met een puntige kop. De kleur van de snoekbaars is afhankelijk van de bodem, lichtintensiteit in en de helderheid van het water en kan zilvergrijs tot goudbruin zijn. Daarnaast heeft hij vage donkere dwarsstrepen, die bij oudere exemplaren vervagen. Hij heeft twee rugvinnen, waarvan de voorste harde stekelige stralen heeft. Ook de rand van de kieuwdeksel is voorzien van een scherpe punt. De ogen zijn groot en glazig. De snoekbaars kan 120 centimeter lang worden. De mannetjes kunnen worden onderscheiden aan hun donkere buik.

Voedsel
Plankton, insectenlarven, watervlooien. Kleine vissen, o.a. spiering, voorn.

Gedrag
Leeft in kleine groepen of alleen en trekt veel rond. Snoekbaars heeft een hekel aan teveel licht en zoekt overdag diepe of schaduwrijke plekken op. De jonge larven gaan zelfs dood bij te veel licht. De jonge snoekbaars eet kleine beestjes zoals watervlooien. Naarmate hij groter wordt gaat hij over op grotere prooien, met name vissen.

De snoekbaars jaagt voornamelijk in de avond en morgen tussen 5 uur en 12 uur, omdat hij dan met zijn grote glazige ogen met reflecterend netvlies een voordeel heeft ten opzichte van de prooivis. De snoekbaars maakt ook gebruik van het zijlijnorgaan dat gevoelig voor geringe drukverschillen en waterstromen en de vis in staat stelt de prooi te vinden. Het zijlijnorgaan kan ook worden gebruikt om grotere stilstaande objecten waar te nemen door de verstoring die ze opwekken in het stromingspatroon om de vis. De snoekbaars maakt daarnaast gebruik van geur om de prooi te vinden.

In de winter trekt de snoekbaars, als dat mogelijk is, naar zeer diep water. Veel snoekbaarzen leven dan op dieptes tussen de 10 en 20 meter. De snoekbaars paait bij temperaturen van 12 tot 15 °C van april tot mei. De mannetjes maken in ondiep water een kuil die wortels van waterplanten blootlegt. De daar gelegde eieren worden door het mannetje bewaakt en door vinbewegingen van vers zuurstofrijk water voorzien.