Snoek


De snoek is een grote zoetwatervis en 1 van de bekendste roofvissen die in België en Nederland voorkomt. De snoek is daarnaast in delen van Europa, Azië en Noord-Amerika te vinden. De snoek heeft in vergelijking met andere zoetwatersoorten een karakteristieke, torpedo-achtige lichaamsbouw. Snoeken kunnen rond 15 jaar oud worden.

Wetenschappelijke benaming
Esox lucius.

Leefgebied
Voornamelijk zoet water, in zowel stilstaand als langzaam stromend water. De snoek is te vinden in vrijwel alle binnenwateren. Hij leeft in zoet water maar kan ook worden aangetroffen in brakwater.

Kenmerken
De snoek heeft een karakteristieke bouw; een zeer langwerpig, torpedo-achtig lichaam met kleine vinnen en een kenmerkende snavelachtige bek. De rug en anaalvin zijn bijna symmetrisch en naar achteren geplaatst. De onderkaak is duidelijk langer dan de bovenkaak en steekt uit.

De kleur van de snoek kan onderling verschillen van groenbruin tot grijsbruin met goudkleurige stippen, vlekken of strepen op de flanken, de buik is geelwit. Oudere snoeken zijn vaak egaal en donkerder van kleur. De vrouwtjes kunnen een lengte van 140 cm bereiken, terwijl de mannetjes niet groter worden dan ongeveer 85 cm.

Voedsel
Insectenlarven, kreeftjes, amfibieën (kikkers), kleine vissen; o.a. jonge soortgenoten. De snoek is een roofvis die voornamelijk leeft van vissen, maar ook amfibieën, kreeftachtigen, knaagdieren en zelfs watervogels. Jonge watervogels worden van onderen belaagd en daarnaast eet de snoek kleinere soortgenoten. De voorkeur van de snoek gaat uit naar vis, met name zieke en verzwakte vissen die makkelijker zijn te vangen.

Gedrag
Leeft in helder water met veel waterplanten en is met name overdag actief. De snoek ligt roerloos op een schuilplaats te wachten tot een prooi voorbij komt. Aan de bouw van de kop is te zien dat snoeken hun prooi vaak van onderen naderen. De snoek is goed in staat heel langzaam te sluipen en zijn positie in het water aan te passen, waarbij de rugvin en de borstvinnen kleine bewegingen maken. Zodra de prooi is gegrepen wordt deze zo gemanoeuvreerd dat de kop altijd als eerste naar binnen gaat. Voor het vangen van prooien is ook de zijlijn van de snoek een belangrijk zintuig. Hiermee kan de snoek waterstroompjes zeer nauwkeurig waarnemen, zoals een zwemmende prooi. Bij een snoek zijn ook gaatjes in de kop te zien die deel uitmaken van het zijlijnsysteem.

De snoek paait vroeg in het voorjaar, soms al in februari. De eitjes worden onbeschermd tegen waterplanten geplakt in ondiepe wateren, bij voorkeur ondergelopen weilanden. Snoeken zoeken altijd weer dezelfde paaiplaats op. Een vrouwtje produceert 15.000 tot 20.000 eieren per kg lichaamsgewicht. Het vrouwtje verlaat al het afzetgebied, het mannetje blijft langer, maar beschermt de eitjes niet. De jonge snoeken groeien zeer snel en worden in het eerste seizoen al zo'n tien tot dertig centimeter lang. Mannetjes zijn na twee tot drie jaar volwassen, bij de grotere vrouwtjes duurt dit drie tot vier jaar.