Brasem


De brasem is een van de talrijkste vissen in de Nederlandse wateren en door zijn gewicht vaak de belangrijkste vis qua biomassa. Normale lengten van brasems zitten in het bereik van 40 tot 60 cm en brasems boven de 70 cm komen alleen in specifieke omstandigheden met een lage stand aan brasem voor.

Wetenschappelijke benaming
Abramis brama.

Leefgebied
Diverse type wateren. Brasems komen veel voor in kleine en grote rivieren, maar ook in sierwater, polderwater, zandafgravingen, tichelgaten en kanalen.

Kenmerken
De volwassen brasem heeft een typische ruitvorm, is afgeplat en heeft een lange anaalvin en een korte puntige rugvin. Brasems worden gedurende de zomermaanden vaak herkend als ze door zuurstofgebrek naar de oppervlakte zwemmen. De vinnen zijn grijzig of zwart en nooit gekleurd. In de paaitijd kunnen mannetjes herkend worden aan de paaiuitslag. Dit zijn keiharde wratjes op de kop en kieuwdeksel. De kleur is variabel en hangt sterk samen met de helderheid en begroeiing van het water. Bij helder begroeid water krijgt de brasem een bronzen kleur, in rivieren en troebele plasjes is hij meer zilverachtig met een wat gelige gloed.

Zeer jonge brasems worden meestal niet als zodanig herkend omdat de visjes dan nog heel slank zijn. Ze zijn zilverachtig, sterk afgeplat en hebben een lange anaalvin.

Voedsel
Insectenlarven, bodemdiertjes, watervlooien, plankton.

Gedrag
De brasem leeft in scholen, zelfs de heel grote exemplaren komen nog in kleine groepjes voor. Op gunstige plaatsen graven de brasems gezamenlijk in de modder of het zand, waar ze eetbare bodemdiertjes uitfilteren. Modder en plantendelen worden weer uitgespuugd. Soms schakelen brasems over op watervlooien of andere diertjes in de middelste waterlagen. Ze prefereren de diepere gedeeltes van het water. 's Avonds en 's nachts azen ze wel vaak op ondiep water. Soms zijn ze overdag in de 10 tot 15 cm grote 'brasemputten' te zien langs ondiepe oevers.

De brasems paaien in mei en juni. Als de weersomstandigheden verslechteren wordt de paai vaak weer onderbroken om ze later weer te hervatten. Ze paaien in de oevers en zelfs langs rivierkribben, maar bij voorkeur wordt zeer ondiep water opgezocht. De mannetjes verdedigen kleine territoria, waar ze andere mannetjes uit verjagen. De vrouwtjes produceren afhankelijk van de grootte 90.000 tot 300.000 eitjes. De kleverige eitjes worden op plantenmateriaal afgezet.