Bot


De bot is nauw verwant aan de schol, met het uiterlijke verschil dat er nauwelijks duidelijke vlekken op de (donkere) bovenzijde van de vis te zien zijn. De bot heeft ook een dikker lichaam dan de schol en het vlees is fijner van structuur. Voor de visserij op het IJsselmeer is de bot voor een aantal vissers een zeer belangrijke vissoort. Op het Vrouwenzand, ten zuiden van Laaksum (Friesland), wordt al eeuwenlang op de bot gevist. De bot die in dit gebied gevangen wordt, staat bekend als de Laaksumer bot. De Laaksumer bot is sinds een paar jaar erkend als een streekeigen product en draagt het keurmerk van de Stichting Streekeigen Producten Nederland.

Wetenschappelijke benaming
Platichthys flesus.

Leefgebied
De bot komt voor in zout-, brak- maar ook in zoet water. De bot wordt in de Rijn tot in Bazel gevangen en is een algemene vissoort aan de kust van Nederland, vooral in de Zeeuwse en Zuid-Hollandse stromen. Ook in het IJsselmeer is de bot te vinden.

Kenmerken
De bot is een platte, asymmetrische vis met de ogen meestal (90-95%) op rechterzijde. Het lichaam is ovaal- of ruitvormig en de staartvin is vierkant. De kop en de kaken zijn klein in verhouding tot het lichaam en de snuit is puntig. De rugvin van de bot heeft 52-67 vinstralen en de anaalvin 35-46 vinstralen. Daarnaast heeft deze vis een ruwe huid. De rijen stekeltjes langs de zijlijn en basis van de rugvin en de vierkante staart zijn kenmerkend voor deze soort.

Als de larve van de bot ca. 1 cm lang is, wordt het lichaam platter en groeit het linkeroog naar de rechterzijde. Bij een klein aantal, 5-10%, van deze vissen groeit het rechteroog echter naar de linkerzijde. Soms gebeurt het ook dat het oog halverwege de groei blijft steken in de kop.
       

Kleur: De kant met ogen is matbruin/groenbruin/grijsgroen met roodoranje vlekjes. De andere zijde is vuilwit, soms met pigment. De ogen zijn oranje.

Voedsel
De larven van de bot eten plankton. Oudere botjes (ouder dan 1 jaar) eten voornamelijk kleine schaaldieren en wormen. Volwassen botten eten ook kleine vissen. In zoetwater eten botten insectenlarven, vlokreeften en zoetwatermosselen.

Gedrag
De bot is actief in de schemering en de nacht. Hij verstopt zich onder zand of slib en schiet plotseling op zijn prooi af, als die in de buurt komt. Grotere botten willen ook nog wel eens snel zwemmend hun prooi achtervolgen. Deze soort is meestal verborgen in zand met alleen de ogen zichtbaar. Daarnaast maakt de bot bepaalde enzymen aan als hij in aanraking komt met giftige stoffen. Als deze enzymen worden aangetroffen in het weefsel van een bot, geeft dat aan dat de bodem chemisch geanalyseerd moet worden. Hierdoor is deze soort een indicatorsoort voor verontreiniging/vervuiling. Mannetjes zijn eerder volwassen dan vrouwtjes, respectievelijk bij een leeftijd van 2-3 jaar (20-25 cm) en 3-4 jaar (25-30 cm). Vrouwtjes leggen 400.000-2.000.000 eieren per jaar. Botten paaien in de periode van eind januari tot mei. De eitjes van de bot zijn 0,8-1,4 mm doorsnee en komen na ca. twee weken uit. Daarna leven deze larven ca. 10 weken van hun dooierzak. Botten kunnen een leeftijd van maximaal 15 jaar bereiken.