Aal / Paling


De paling, ook wel gewone paling of Europese aal, is een vis die behoort tot de familie echte palingen. De paling wordt op grote schaal bevist voor menselijke consumptie en is een belangrijke soort voor de IJsselmeervissers. In Nederland is gerookte paling een gewilde delicatesse en in België is ‘paling in het groen’ een gewaardeerd gerecht.

Wetenschappelijke benaming
Anguilla anguilla.

Leefgebied
De paling komt voor in grote delen van Europa en noordelijk Afrika en is een bewoner van wateren met modderbodems.

Kenmerken
De paling heeft een lang slangachtig lichaam met zeer slijmerige huid. De paling heeft een spitse, bovenwaarts afgeplatte en enigszins wigvormige kop die gemakkelijk van de achterzijde is te onderscheiden doordat de staart sterk zijwaarts is afgeplat. De onderkaak is langer dan de bovenkaak. De paling heeft twee neusgaten voorzien van buisjes aan het puntje van de neus en twee neusgaten vlak voor de ogen waar het water de neus weer verlaat. Het reukvermogen van zowel de paling is zeer goed.

Kleur: rug donker (verscheidene kleuren komen voor: blauw, olijfgroen, rood, bruin en zwart) en onderzijde licht van kleur (wit of gelig).

Op het eerste gezicht draagt de huid van de paling geen schubben. Deze zijn echter wel aanwezig in diepere lagen van de huid, ze zijn zeer klein en vormen geen bepantsering. De paling is erg lastig te hanteren door de dikke egale huid, voorzien van een gladde slijmlaag en probeert met wilde kronkelbewegingen te ontsnappen aan zijn belagers.

De lichaamslengte inclusief staart is bij mannetjes ongeveer 60 centimeter. De vrouwtjes worden tot 135 centimeter lang en 7 kilogram zwaar en ongeveer dertig jaar oud. De paling kan meer dan een meter lang worden.

Voedsel
De typische paling jaagt voornamelijk op muggenlarven, muggenpoppen, driehoeksmossel en de exotische korfmossels, vlo kreeften en andere kleine ongewervelde diertjes. Ze eten ook kuit en larven van andere vissoorten als pos, baars en blankvoorn. Sommige palingen schakelen over op het eten van alleen vis als ze groter zijn dan 30 centimeter. Deze palingen zijn herkenbaar aan de brede bek, veroorzaakt door een breedtegroei van de bovenkaak.
      

Gedrag
De paling schuilt overdag en jaagt 's nachts op kleine ongewervelde dieren zoals kreeftachtigen en kleine vissen. De paling is actief gedurende de zomer maanden. Hij verstopt zich in de bodem en schiet plotseling op zijn prooi af.

De meeste palingen bereiken tussen vijf en vijftien jaar verblijf in het zoete water, bij voldoende voedselaanbod, het schieraalstadium en trekken dan terug naar de paaigronden. De paling is een vis die opgroeit in zoet of brak water en zich voortplant in de Sargossa zee op grote diepte. De larven trekken geholpen door de Golfstroom naar Europa.

Als de larven - glasaal - een bepaalde hoeveelheid vet in zijn vlees heeft opgeslagen wordt hij schieraal genoemd. De dieren worden vet, de ogen worden groter en ze krijgen een lichtgrijze kleur met een witte buik, de vinnen worden groter en de huid wordt dikker. Op dit moment zijn de palingen nog niet volledig geslachtsrijp. Verdere geslachtsontwikkeling vindt plaats tijdens de reis naar de Sargossa zee door de bovenste waterlagen van de Atlantische Oceaan.

Onderzoek aan de universiteit van Leiden heeft aangetoond dat palingen in staat zijn om meer dan 6.000 kilometer af te leggen. Ook is hier ontdekt dat palingen zeer weinig energie gebruiken om te zwemmen. In totaal verbranden zij slechts een zeer kleine hoeveelheid energie om zich te verplaatsen.

Experimenten met palingen hebben aangetoond dat de schieralen tot 45 km per dag afleggen en daarbij overdag kouder water opzoeken en 's nachts warmer water.