Makkum

Geschiedenis
In de Middeleeuwen had Makkum de naam "Poort naar de Zuiderzee". Dit had Makkum te danken aan twee sluizen, die eigendom waren van een nabijgelegen klooster. Makkum kon zich zo ontwikkelen tot een belangrijk handelscentrum met een strategische positie. 

In de Gouden Eeuw telde Makkum tal van scheepswerven, steen- en tegelbakkerijen en hout-, olie-, papier- en pelmolens. Maar de ruim honderd kalkovens waren de belangrijkste peilers voor de welvaart van het dorp. Met name de scheepvaart en de scheepsbouw floreerden dankzij de verscheping van kalk naar Amsterdam. Ook de visserij gold als een belangrijke bron van inkomsten.

De situatie veranderde toen de Zuiderzee in de negentiende eeuw verzandde. Grote schepen konden Makkum niet meer bereiken. Van de bedrijvigheid bleven in eerste instantie alleen de aardewerkindustrie en scheepsbouw over. Makkum heeft een stedelijke structuur die dateert uit de 17e eeuw. Vooral bij de sluis bevinden zich monumentale koopmanshuizen. Noemenswaardig ook zijn het voormalig waaggebouw en de aardewerkfabriek Koninklijke Tichelaar Makkum, het oudste (aardewerk)bedrijf van Nederland van het bekende Makkumer aardewerk.

Het wapen van Makkum toont een zeemeermin van goud, met in de rechterhand een zeilschip en in de linkerhand een kalkoven.

Natuur & recreatie
Dankzij de aanleg van de Afsluitdijk en het Makkumerdiep nam de waterrecreatie in de 20ste eeuw gestaag toe. Naast de landbouw neemt de natuur (rietsnijderij in de Makkumerwaard) een voorname plaats in. De natuurgebieden langs de IJsselmeerkust zijn vermaard door de vele vogels en de grote variëteit aan planten.

Makkum biedt veel recreatiemogelijkheden en is één van meest geliefde vakantiebestemmingen in zuid-west Friesland. Het pittoreske centrum is een toonbeeld van gezelligheid. Met terrasjes en een keur aan horecavoorzieningen in de historische panden. Het winkelaanbod is toegesneden op de toerist. Dat betekent, dat er veel meer is dan men in een dorp van ca. 4.000 inwoners verwacht.

Visserij
De visserij in Makkum ontwikkelde zich laat ten opzichte van andere havenplaatsen aan de Zuiderzeekust. Voor de aanleg van de Afsluitdijk wordt er vanuit Makkum voornamelijk op het binnenwater, het Makkumermeer tussen Makkum en Workum, gevist. De visserij op de Zuiderzee blijkt in die tijd erg lastig, mede door de lange zandbank voor de kust wordt de toegang belemmerd. Er wordt in die tijd vanuit Makkum gevist op schelpdieren, op de banken voor de Friese kust en in het gebied wat nu de Waddenzee is. De schelpen worden gebruikt als grondstof in de kalkovens. Rond 1900 zijn er slechts enkele vissers die vanuit Makkum op de Zuiderzee vissen, met name met kleine open scheepjes wordt er met behulp van sleepnetten gevist op haring.

In tegenstelling tot veel andere vissersplaatsen gelegen aan het IJsselmeer, krijgt de Makkumer visserij na de aanleg van de Afsluitdijk juist een impuls. Een aantal vissersfamilies uit o.a. Lemmer verhuist naar Makkum. De Makkumer visserij richt zich naast de visserij op het IJsselmeer ook op de kustvisserij en de Waddenzee. De overgebleven Makkumer vissers vissen tegenwoordig veelal met gecombineerde IJsselmeer- en kustvisserij.